_________________________________________________________________ VOORONTWERP VAN WET Wijziging van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen in verband met de regeling van cryptografie VOORSTEL VAN WET Alzo wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels te stellen ten aanzien van het gebruik van cryptografie in geval van telecommunicatie en daartoe de Wet op de telecommunicatievoorzieningen aan te vullen in het belang van de bestrijding van criminaliteit en de veiligheid van de staat; Zo is het dat Wij, de Raad van state gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk wij goedvinden en verstaan bij deze: _________________________________________________________________ I De Wet op de telecommunicatievoorzieningen (Stb. 1988, 520) wordt als volgt gewijzigd: _________________________________________________________________ A In Artikel 1 wordt de punt aan het slot van onderdeel k vervangen door een puntkomma. Aan het artikel wordt toegevoegd een onderdeel l, dat luidt: l. cryptografie: een verzameling van opdrachten kennelijk bestemd om gegevens automatisch te bewerken zodanig dat deze in geval van overdracht via telecommunicatie niet meer direkt begrijpelijk of bruikbaar zijn, of, indien zij eerder zijn bewerkt, weer direkt begrijpelijk of bruikbaar worden, voor zover deze opdrachten ter beschikking worden gesteld of zijn vastgelegd in een vorm dat zij voor onmiddellijk gebruik kunnen worden aangewend. _________________________________________________________________ B Aan artikel 29, eerste lid, wordt een volzin toegevoegd die luidt: Indien de eisen betrekking hebben op cryptografie kan worden afgeweken van de wezenlijke vereisten voor zover dit noodzakelijk is in het belang van de bestrijding van criminaliteit of in het belang van de staatsveiligheid. _________________________________________________________________ C Na HOOFDSTUK V wordt een nieuw hoofdstuk ingevoegd, dat luidt: HOOFDSTUK VA Artikel 30a 1. Het is verboden om cryptografie voorhanden te hebben of te gebruiken. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op 1. de houder van de concessie, 2. personen aan wie Onze Minister machtiging heeft verleend, 3. cryptografie die Onze Minister heeft toegelaten en 4. overheidsorganen of diensten met een publieke taak belast, die door Onze Minister, na overleg met Onze Ministers die het mede aangaat, zijn aangewezen voor daarbij nader te bepalen vormen van cryptografie in verband met de uitoefening van hun taak. Artikel 30b 1. Het is verboden om in Nederland cryptografie aan derden aan te bieden of ter beschikking te stellen. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op 1. personen aan wie Onze Minister een verlof heeft verleend, en 2. cryptografie die overeenkomstig artikel 30a, tweede lid, onder c, is toegelaten. 3. De houder van een verlof stelt cryptografie die niet is toegelaten, slechts ter beschikking aan personen, overheidsorganen of diensten voorzover op hen het verbod van artikel 30a, eerste lid, niet geldt. 4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld voor de houder van een verlof inzake hun administratie van de vormen van niet-toegelaten cryptografie en de terbeschikkingstelling daarvan aan derden. Artikel 30c 1. Onze Minister neemt een besluit op grond van de artikelen 30a, tweede lid, onder b of c, of 30b, tweede lid, onder a, op aanvraag met betrekking tot nader te omschrijven vormen van cryptografie. Het besluit geldt voor een daarbij aan te geven termijn van ten hoogste vijf jaren. 2. Onze Minister kan, alvorens te beslissen, van de aanvrager verlangen dat deze informatie verstrekt omtrent de cryptografie met het oog waarop een besluit is aangevraagd. 3. Een machtiging of een verlof wordt slechts verleend indien een gerechtvaardigd belang van de aanvrager daartoe noodzaakt. 4. Met het oog op de bestrijding van de criminaliteit of de staatsveiligheid 1. kan een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, worden afgewezen, 2. kunnen aan een machtiging en een verlof beperkingen en voorschriften worden verbonden. 5. Een besluit als bedoeld in het eerste lid, kan worden ingetrokken en de beperkingen en voorschriften, bedoeld in het vierde lid, onder b, kunnen worden gewijzigd indien 1. de aanvrager onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt; 2. de aanvrager de bij of krachtens deze wet gestelde regels dan wel de aan een machtiging of een verlof verbonden voorschriften en beperkingen niet nakomt of 3. de bestrijding van criminaliteit of de staatsveiligheid dit in verband met gewijzigde omstandigheden vordert. Artikel 30d 1. Onze Minister houdt een beheersorgaan cryptografie in stand. 2. Het beheersorgaan heeft tot taak de cryptografie en de informatie daaromtrent die aan hem ter beschikking zijn gesteld of waarover het anderszins beschikt, te beheren. 3. Het stelt desgevraagd de cryptografie en de informatie daaromtrent ter beschikking van overheidsorganen voor zover deze die behoeven voor de uitoefening van de hun bij of krachtens de wet opgedragen taak, tenzij Onze Minister in het belang van de staat of van zijn bondgenoten anderszins bepaalt. 4. Onze Minister kan 1. bij ministeriele regeling waarborgen verbinden aan het gebruik en het beheer van de overeenkomstig het derde lid ter beschikking gestelde informatie en 2. het beheersorgaan aanwijzingen geven omtrent de uitoefening van zij taak. 5. Onze Minister oefent zijn bevoegdheden krachtens het vierde lid uit na overleg met Onze Ministers die het mede aangaat. Artikel 30e Een ieder die is betrokken bij de uitvoering van de regels gesteld bij of krachtens deze wet met betrekking tot cryptografie en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter zake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding van die gegevens, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot mededeling verplicht of uit zijn taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit. _________________________________________________________________ D Artikel 41 wordt als volgt gewijzigd: 1. Onderdeel a wordt als volgt gewijzigd: 1. De woorden "en 30, vierde lid onder f" worden vervangen door: , 30, vierde lid onder f, en 30a, tweede lid, onder b, alsmede een verlof als bedoeld in artikel 30b, tweede lid, onder a. 2. In onderdeel b vervalt na het tweede onderdeel "en" en wordt de puntkomma aan het slot van onderdeel 3x vervangen door ", en". Daaraan wordt toegevoegd een onderdeel 4x dat luidt: 4x. de toelating en registratie van cryptografie waarvoor een aanvraag tot toepassing van artikel 30a, tweede lid, onder c is ingediend. _________________________________________________________________ E In artikel 44 wordt 'hoofdstuk III, IV en V" vervangen door: hoofdstuk III, IV, V en VA. _________________________________________________________________ F Aan artikel 48, wordt toegevoegd een vijfde lid, dat luidt: 5. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op de telecommunicatie-inrichtingen bedoeld in de paragrafen 2, 3 en 4 van hoofdstuk III indien de regels gesteld bij of krachtens hoofdstuk VA niet worden nageleefd. _________________________________________________________________ G Artikel 50 wordt gewijzigd als volgt: 1. In het eerste lid, wordt de punt aan het slot van onderdeel c vervangen door een puntkomma. Aan het lid wordt toegevoegd een onderdeel d, dat luidt: d. hij die handelt in strijd met artikel 30a, eerste lid, of 30b, eerste lid. 2. In het vijfde lid wordt na "30, eerste lid en vierde lid onder a,c,d en f," toegevoegd: 30b, vierde lid, 3. Het zesde en zevende lid worden vernummerd tot het zevende en achtste lid. Toegevoegd wordt een nieuw lid, dat luidt: 6. Overtreding van de voorschriften vastgesteld krachtens artikel 30c, vierde lid, onder b, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste vier maanden of geldboete van de derde categorie. _________________________________________________________________ H Artikel 64 komt te luiden: Artikel 64 1. De houder van de concessie verleent medewerking aan de uitvoering van een bevoegd gegeven bijzondere last tot het aftappen of opnemen van telecommunicatie die over de telecommunicatie-infrastructuur wordt afgewikkeld. 2. Onze Minister kan de houder van de concessie een aanwijzing geven de verzorging van telecommunicatie vanaf een of meer daarbij aan te geven aansluitpunten gedurende een daarbij te bepalen termijn van ten hoogste drie dagen geheel of ten dele te staken, indien daarbij gebruik is gemaakt van cryptografie in strijd met de bepalingen van HOOFDSTUK VA. De termijn kan niet worden verlengd. 3. Onze Minister geeft, na overleg met Onze Minister van Justitie en Onze Minister van Binnenlandse Zaken, aan de houder van de concessie voorschriften ten aanzien van de door deze te nemen organisatorische en personele maatregelen en te treffen bijzondere voorzieningen opdat een last als bedoeld in het eerste lid, of de aanwijzing, bedoeld in het tweede lid, kan worden uitgevoerd. 4. Onze Minister bepaalt in die voorschriften welke kosten van de uitvoering redelijkerwijze ten laste van de houder van de concessie dienen te komen. Artikel 60, derde lid, is van overeenkomstige toepassing. _________________________________________________________________ II Artikel 30a, eerste lid, van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen is gedurende zes maanden na inwerkingtreding van deze wet niet van toepassing op de gebruiker van cryptografie die aannemelijk kan maken dat deze aan hem ter beschikking is gesteld op een tijdstip voorafgaand aan de inwerkingtreding. _________________________________________________________________ III Indien het bij koninklijke boodschap van xx.xx.xx ingediende voorstel van wet tot aanvulling van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen met bepalingen omtrent electromagnetische compatibiliteit, tot wet wordt verheven en in werking treedt, worden de artikelen 30a tot en met 30f vernummerd tot de artikelen 30d onderscheidenlijk 30i. _________________________________________________________________ IV Indien het bij koninklijke boodschap van xx.xx.xx ingediende voorstel van wet tot aanvulling van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen met bepalingen omtrent mobiele telecommunicatie tot wet wordt verheven en in werking treedt, worden de volgende wijzigingen aangebracht. [PM] _________________________________________________________________ V Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen verschillend kan zijn. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden. De Minister van Verkeer en Waterstaat, De Minister van Justitie, De Minister van Binnenlandse Zaken, De Minister van Defensie, _________________________________________________________________