@  L  a  w   L  i  n  k  s
DeJoode >> @Law >> memorie.html
                                  VOORONTWERP
                                       
     Wijziging van de wet op de telecommunicatievoorzieningen in verband
     met de regeling van cryptografie
     
                            MEMORIE VAN TOELICHTING
                                       
Algemeen deel

  1. INLEIDING
  
   Met cryptografie wordt informatie verborgen gehouden voor degenen van
   wie men niet wil dat zij daarvan kennis nemen. Dit vormt een machtig
   wapen in de strijd tegen mogelijke tegenstanders. Tot dusver vormde
   cryptografie een wapen in handen van overheden. Daarom viel tot dusver
   cryptografische apparatour onder een uitvoerverbod op grond van de In-
   en uitvoerwet, opdat deze niet wordt uitgevoerd naar landen die een
   bedreiging kunnen vormen voor Nederland, diens bondgenoten of voor de
   internationale rechtsorde. Met het voortschrijden der techniek, wordt
   cryptografie een instrument in handen van particulieren tegenover
   ongewenste onderschepping van informatie-uitwisseling.
   
   In beginsel valt deze ontwikkeling toe te juichen. De
   vertrouwelijkheid van de informatie-uitwisseling is een belang dat wat
   betreft de telecommunicatie uitdrukkelijk haar verwoording heeft
   gevonden in artikel 13, tweede lid, van de Grondwet. Het vormt een
   uitwerking van het algemene beginsel van bescherming van de
   persoonlijke levenssfeer dat verdragsrechtelijk bescherming ondervindt
   op basis van artikel 8 van het EVRM en artikel 17 van het BUPO. Meer
   in het bij zonder toegespitst op de telecommunicatie, rust ingevolge
   artikel 22 van het Internationale verdrag betreffende telecommunicatie
   (Trb. 1983, 164) op de lid-staten een inspanningsverplichting alle
   mogelijke maatregelen te nemen om de vertrouwelijkheid van de
   telecommunicatie te waarborgen.
   
   Zoals echter voorheen mogelijk vijandige mogendheden het gebruik van
   geavanceerde cryptografie is onthouden, is het thans noodzakelijk
   geworden particulieren, indien zi3 een bedreiging voor de rechtsorde
   of voor de instellingen van de staat of voor hun medeburgers zijn, te
   beperken in het gebruik van de technische mogelijkheden hun
   gegevensuitwisseling vertrouwelijk te houden.
   
   Waar particulieren, en daarmee criminelen, over dezelfde middelen gaan
   beschikken als voorheen mogelijk vijandige mogendheden, ligt het in de
   rede de regelgeving met betrekking tot de strijdmiddelen die
   particulieren worden toegestaan, meer in overeenstemming te brengen
   met die welke vanouds voor vijandige mogendheden bestaat. Het
   onderhavige wetsvoorstel strekt daartoe.
   
  2. DE REGELGEVING OMTRENT HET AFTAPPEN VAN TELECOMMUNICATIE
  
   Bij de wet van 7 april 1971 (Stb. 180) zijn in het Wetboek van
   Strafrecht en in het wetboek van Strafvordering bepalingen opgenomen
   die enerzijds de vertrouwelijkheid van telefoongesprekken beschermen,
   anderzijds mogelijkheden scheppen om onder bepaalde waarborgen
   dergelijke gesprekken ook te kunnen afluisteren. Bij de wet
   computercriminaliteit (stb. 1993, 33) zijn deze bepalingen uitgebreid.
   De bepalingen voorzien in uitzonderingen ten behoeve van de
   criminaliteitsbestrijding en ten behoeve van de staatsveiligheid.
   
   Artikel 125g van het Wetboek van Strafvordering geeft de
   rechter-commissaris de bevoegdheid opdrachten te geven
   telecommunicatie af te tappen of op te nemen ter opsporing van
   strafbare feiten waar voorlopige hechtenis op staat, indien het
   onderzoek dit dringend vordert. Artikel 64 van de Wet op de
   telecommunicatievoorzieningen verplicht de PTT aan de uitvoering van
   dergelijke opdrachten medewerking te verlenen.
   
   Verder voorziet artikel 139c, tweede lid, onder 30, van het Wetboek
   van Strafrecht in het aftappen en opnemen van telecommunicatie door
   het Hoofd van de Binnenlandse Veiligheidsdienst in de gevallen waarin
   dit nodig is in het belang van de veiligheid van de staat. Daartoe is
   een machtiging van vier Ministers vereist, die geldt voor een duur van
   ten hoogste drie maanden.
   
   De bevoegdheid van de overheid telecommunicatie af te tappen en op te
   nemen vormt een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. De genoemde
   bepalingen zijn als wet in formele zin vereist ingevolge artikel 10
   van de Grondwet, terwijl de inhoud ervan voldoet aan de eisen van
   artikel 8 van het EVRM, zoals deze eisen nader gestalte hebben
   gekregen in de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van
   de Mens. Dit Hof heeft binnen nauw omschreven grenzen het aftappen van
   teleconununicatie toelaatbaar geacht. Hier zi] verwezen naar de
   uitspraken in de Klass-zaak (6 september 1978, serie A nr. 28 (AA
   1979, 327), in de Malone-zaak (2 augustus 1984, serie A nr. 83,
   gepubliceerd in NJ 1988, 534) en in de zaak Kruslin en Huvig (NJ 1991,
   523). De eisen die uit het laatste arrest voor het Wetboek van
   Strafvordering voortvloeien, worden in het Nederlands recht
   geincorporeerd in het wetsvoorstel tot herziening van het gerechtelijk
   vooronderzoek (Kamerstukken II 1992/93,
   
   De bevoegdheid van de overheid om binnen de grenzen van het recht
   telefoongesprekken af te tappen en op te nemen, dreigt haar werking te
   verliezen, indien degenen tegen wie zij zijn bedoeld, zich wapenen met
   middelen die, alle onderschepping van het benodigde signaal ten spijt,
   tot gevolg hebben dat geen bruikbare informatie voor de overheid ter
   beschikking komt. Wil men de werking behouden van de bevoegdheden van
   de overheid, zoals deze door de wetgever zijn bedoeld, dan is nodig
   dat de regelgeving wordt aangevuld met bepalingen die ertoe strekken
   dat de toegang tot de inhoud van telecommunicatie onder de door de wet
   geschetste omstandigheden behouden blijft.
   
   In het algemeen kan de vraag worden gesteld of het zin heeft te
   trachten de juridische en technische ontwikkelingen op het gebied van
   de telecommunicatie en de informatica bij te houden in die zin dat met
   het oog op de bestrijding van criminaliteit en met het oog op de zorg
   voor de veiligheid van de staat, de aftapbaarheid van teleconmunicatie
   blijft bestaan. Sommigen beantwoorden deze vraag ontkennend omdat dit
   streven praktisch niet te verwerkelijken zou zijn. Wij menen dat
   evenwel het te verwachten toenemende belang van telecommunicatie in de
   komende informatiemaatschappij ertoe zal leiden dat ook criminelen en
   staatsgevaarlijke personen bij de voorbereiding van hun werkzaamheden
   meer nog dan thans gebruik zullen maken van de ter beschikking komende
   technische mogelijkheden. In deze omstandigheden is het noodzakelijk
   alles in het werk te stellen dat ook de overheid daarop greep blijft
   houden.
   
  3. DE KEUZE VAN DE VORMGEVING
  
   Daar de bevoegdheden opgenomen in het Wetboek van Strafrecht en in het
   Wetboek van Strafvordering in het belang van de
   criminaliteitsbestrijding en de staatsveiligheid, vooral betrekking
   hebben op telecommunicatie, is gekozen voor een regeling in de Wet op
   de teleconununicatievoorzieningen. Dit lijkt de juiste plaats om het
   evenwicht te bewerkstelligen tussen enerzijds de noodzakelijke
   vertrouwelijkheid van telecommunicatie tegenover het algemene publiek,
   anderzijds een zekere mate van doorzichtigheid van de telecommunicatie
   tegenover de daartoe door de wet bevoegd verklaarde overheidsorganen
   voor de gevallen dat de wet dit toestaat.
   
   In de Wet op de telecommunicatievoorzieningen is de regeling voorzien
   in een apart hoofdstuk. De regeling heeft immers zowel betrekking op
   de telecommunicatie-inrichtingen van bijzondere aard of beperkte
   omvang, geregeld in hoofdstuk III van deze wet, als op de
   randapparatuur, geregeld in hoofdstuk IV, terwijl het mede betrekking
   heeft op de diensten als bedoeld in paragraaf 2 van Hoofdstuk II, die
   via de telecommunicatie-infrastructuur worden aangeboden. Het
   voorgestelde hoofdstuk VA, maakt dus deel uit van de hoofdstukken die
   algemene bepalingen bevatten ten opzichte van de andere hoofdstukken,
   evenals hoofdstuk VI inzake de gedoogplicht, VII inzake de
   vergoedingen en VIII inzake het beroep. Overeenkomstig de systematiek
   van andere bepalingen die telecommunicatie regelen, is de
   concessionaris van de geadresseerden van de regelgeving uitgezonderd.
   Daarvoor geldt hoofdstuk II.
   
  4. HOOFDLIJNEN VAN HET WETSVOORSTEL
  
   Het gebruik van cryptografie is onder omstandigheden voor overheid en
   private personen onontbeerlijk. Waar wordt gesproken over personen,
   worden daaronder steeds mede begrepen rechtspersonen. Hebben zij een
   gerechtvaardigd belang, dan dienen zij in staat te zijn cryptografie
   te gebruiken, tenzij er bezwaren zijn in verband met de
   criminaliteitsbestrijding of met de staatsveiligheid.
   
   Voor particulieren wordt voorzien in een systeem van vergunningen. Een
   particulier die een machtiging wil hebben, dient aannemelijk te maken
   dat hij deze nodig heeft met het oog op een gerechtvaardigd belang.
   Gedacht kan worden aan concerns met gevoelige bedrijfsinformatie die,
   binnen het concern, van de ene dochter naar de andere via
   telecommunicatie moet kunnen worden overgedragen. De organen van de
   overheid en van andere organen of personen met een publieke taak
   belast, die in aamnerking komen voor het gebruik van cryptografie
   zullen bij ministeri	le regeling worden aangewezen. Deze bepaling
   sluit aan bij die van het bestaande artikel 17, tweede lid, onder b,
   van de wet.
   
   De handhaving van het verbod tot gebruik van cryptografie zal illusoir
   zijn, indien niet tegelijkertijd het aanbod en de
   terbeschikkingstelling van de cryptografie aan banden wordt gelegd.
   Ook deze zijn daarom onderworpen aan een vergunningssysteem.
   
   Er zijn allerlei vormen van cryptografie vrij verkrijgbear op de
   markt. Voor een deel is dit alleszins gerechtvaardied. Tegen het
   onderscheppen en ontcijferen van de met behulp van telecommunicatie
   uitgewisselde informatie door particulieren zonder bijzondere
   voorzieningen, geven zij een redelijke bescherming. voor degenen die
   zich richten op de bestrijding van criminaliteit of de bescherming van
   de staatsveiligheid, vormen zij soms een probleem. In een aantal
   gevallen blijkt mogelijk, zeker wanneer informatie over de gebruikte
   cryptografie bekend is, met enige moeite wel een aanknopingspunt te
   vinden voor de ontrafeling van de inhoud van het bericht. Er is een
   groot economisch belang dat dergelijke cryptografie, al dan niet deel
   uitmakend van apparatuur met ook andere functies, vrij verhandelbaar
   is. Dergelijke vormen van cryptografie zullen daarom voor een deel
   toch worden toegelaten. Hetzelfde geldt voor vormen van cryptografie
   die worden gebruikt ter bepaling van de integriteit van een bericht of
   van de herkomst daarvan, alsmede de cryptografie mogelijk zal worden
   gebruikt in verband met de elektronische handtekening. De toelating
   betreft dan zowel het voorhanden hebben, het gebruik als de handel.
   Voor een ander deel zal het wetsvoorstel evenwel tot gevolg hebben dat
   de vrije verkrijgbaarheid wordt ingeperkt.
   
   De voorgestelde regeling gaat ervan uit dat een toelating mogelijk is
   'indien ten minste het desbetreffende algoritme en andere informatie
   over de desbetreffende vorm van cryptografie, beschikbaar is bij het
   centrale orgaan, dat het beheer heeft over de algoritmen en over
   andere informatie betreffende de cryptografie. Ook is toelating
   mogelijk indien de desbetreffende cryptografie naar zijn aard niet kan
   worden aangewend om berichten onbegrijpelijk te maken.
   
   De beantwoording van de vraag of een verzoek tot toelating van een
   vorm van cryptografie kan worden ingewilligd, zal mede afhangen van
   een evaluatie van de desbetreffende vorm van cryptografie. Daartoe zal
   in de regel aan de Minister van Verkeer en Waterstaat een rapport
   moeten worden uitgebracht door een door hem daartoe aangewezen
   evaluatie-orgaan. Dit hoeft niet steeds noodzakelijkerwijs hetzelfde
   orgaan te zijn. Het gaat hier om niet meer dan een deskundigenadvies
   dat onder omstandigheden voorafgaand aan een besluit wordt ingewonnen.
   Het lijkt niet nodig deze feitelijke gang van zaken ook in het
   wetsvoorstel neer te leggen. Enige rechtswaarborg van de burger is
   daarmee niet verbonden.
   
   Is eenmaal een bepaalde vorm van cryptografie toegelaten en komt
   nieuwe apparatuur op de markt waarvan de fabrikant of de importeur
   aanvoert dat de daarin verwerkte cryptografie in overeenstemming is
   met een reeds toegelaten vorm, dan zal ingevolge de regels krachtens
   artikel 29 van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen worden
   vastgesteld of een dergelijke overeenstemming ook daadwerkelijk
   aanwezig is. Een nadere beoordeling van de sterkte van de cryptografie
   is dan niet meer nodig. De evaluatie van de sterkte is een andere
   bezigheid dan de beoordeling van conformiteit.
   
  5. HET BEHEERSORGAAN
  
   Het wetsvoorstel voorziet in de instelling van een orgaan dat is
   belast met het beheer van de informatie, daaronder begrepen de
   algoritmen, die is verkregen in verband met de aanvragen voor
   toelatingen en machtigingen. Het orgaan heeft een eigen taak ingevolge
   de wet. De instandhouding ervan is opgedragen aan de Minister van
   Verkeer en Waterstaat, die immers als eerstverantwoordelijke binnen de
   regering voor de toepassing van de Wet op de
   telecommunicatievoorzieningen optreedt. Hieraan doet niet af dat met
   het functioneren van het beheersorgaan een veelheid van belangen
   waarbij ook andere Ministers zijn betrokken, aan de orde komt.
   
   Het beheersorgaan ontleent zijn taak rechtstreeks aan de wet. Het
   behoort mede tot zijn taak informatie omtrent cryptografie waarover
   het beschikt, ter beschikking te stellen van de organen die dat
   behoeven. Het orgaan heeft een zelfstandige taak in de beoordeling van
   dit criterium. Gaat het om het kunnen aftappen van telecommunicatie
   via de telecommunicatieinfrastructuur, dan zal het orgaan kunnen
   verlangen dat blijkt dat er een opdracht ligt van de
   rechter-commissaris wanneer het gaat om de opsporing van strafbare
   feiten dan wel van de vier ministers bedoeld in artikel 139c van het
   Wetboek van Strafrecht indien het gaat om het aftappen in het belang
   van de staatsveiligheid. Gaat het om het aftappen van de ether, dan
   zal met een eenvoudige toets van de behoefte van het desbetreffende
   overheidsorgaan kunnen worden volstaan.
   
   Voor het functioneren van het beheersorgaan is de Minister van Verkeer
   en Waterstaat slechts in zoverre verantwoordelijk dat hij politiek
   aanspreekbaar is op het gebruik dat hij al dan niet maakt van de
   bevoegdheid om krachtens het vierde lid, onder b, aanwijzingen te
   geven. Ook aan deze Minister wordt niet onbeperkt alle informatie over
   cryptografie gegeven. Hij heeft slechts aanspraak op die informatie
   die nodig is om zijn verantwoordelijkheid waar te maken. In dat geval
   wordt voldaan aan het criterium I'voor zover deze die behoeven van
   artikel 30d, derde lid. Een vergelijkbare regeling is te vinden in
   artikel 7, eerste lid, tweede volzin van de Wet politieregisters,
   krachtens hetwelk aan de beheerder van een politieregister slechts
   gegevens worden verstrekt om zorg te kunnen dragen voor de juiste
   werking daarvan.
   
   Het beheersorgaan heeft in zeker opzicht een rol van wat wel wordt
   aangeduid als "trusted third party". De terbeschikkingstelling van
   informatie over algoritmen en sleutels aan derden vindt slechts plaats
   na toetsing van de behoefte van de aanvragende overheidsinstantie en
   met inachtneming van de waarborgen die de Minister van Verkeer en
   Waterstaat bij ministeri6le regeling krachtens het deree lid, onder a,
   voorschrijft. Deze waarborgen strekken ertoe dat de kennis omtrent
   cryptografie niet verdergaand bekend wordt dan strikt noodzakelijk is.
   Zij kunnen bij voorbeeld ook betrekking hebben op de vernietiging van
   de informatie na gebruik door de desbetreffende overheidsdienst.
   
   Gezien de mogelijk uiteenlopende belangen die een rol kunnen spelen
   bij het goed functioneren van het beheersorgaan, is voorgeschreven dat
   aanwijzingen van de Minister van Verkeer en Waterstaat niet dan na
   overleg met andere Ministers kunnen worden gegeven.
   
   Overigens is bij het beheersorgaan niet noodzakelijkerwijs alle
   informatie over cryptografie aanwezig die bij de overheid bekend is.
   Overheidsorganen die op grond van artikel 30a, tweede lid, onder d,
   zijn aangewezen, kunnen blijkens artikel 30c, eerste en tweede lid,
   niet worden verplicht tot het ter beschikking stellen van informatie
   over de door hen gebruikte vormen van cryptografie. Deze informatie
   komt daardoor ook niet noodzakelijkerwijs ter beschikking van het
   beheersorgaan. In die gevallen waarin dit echter wel feitelijk het
   geval is, dient die informatie ook ter beschikking te worden gesteld
   van de overheidsorganen die dat behoeven, tenzij de
   uitzonderingsclausule van artikel 30d, derde lid, van toepassing is.
   Evenmin staat de voorgestelde regeling eraan in de weg dat andere
   organen inzake cryptografie in het leven worden geroepen van
   publiekrechtelijke of privaatrechtelijke aard, die een functie
   vervullen op het gebied van het beheer en de omgang met algoritmen of
   sleutels.
   
  6. GEHEIMHOUDING
  
   Naar haar aard is de kennis en het gebruik van cryptografie door de
   overheid met geheimhouding omgeven. Dit gaat niet zover dat niet
   bekend zou zijn dat de Militaire Inlichtingendienst en de Binnenlandse
   Veiligheidsdienst, beide omschreven in de Wet op de inlichtingen- en
   veiligheidsdiensten (Stb. 1987, 635) met dergelijk gebruik va-nouds
   van doen hebben. De regeling van cryptografie met betrekking tot
   particulieren doet echter vragen rijzen in verband met de
   rechtsbescherming in geval van een eventuele afwi]'zing van verzoek om
   66n van de verschillende soorten vergunningen die in dit verband
   kunnen worden afgegeven.
   
   Ingevolge het bestaande artikel 42 van de Wet op de
   telecommunicatievoorzieningen kan in het algemeen beroep tegen een
   afwijzende beschikking worden ingesteld bij het College van Beroep
   voor het bedrijfsleven. Deze algemene formulering leidt ertoe dat ook
   tegen afwijzende beslissingen inzake cryptografie een dergelijk beroep
   openstaat. Bij een dergelijke afwijzing kunnen evenwel overwegingen
   aan de orde komen die in een concreet geval niet alle ter kennis van
   de klager kunnen worden gebracht. De vraag rijst dan of het beginsel
   van de inwendige openbaarheid van het procesdossier (de mogelijkheid
   voor de klager om van de inhoud daarvan kennis te nemen), zulks
   toelaat.
   
   Dear dit probleem ook elders heeft gespeeld, is in cle Algemene wet
   bestuursrecht (Stb. 1994, 1), mede omvattende de voltooiing eerste
   fase herziening rechterlijke organisatie, een bepaling opgenomen die
   ook betrekking heeft op het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
   Deze voorziet in een aanvulling op met onder meer een artikel 8: 29,
   dat de volgende mogelijkheid opent. De rechter kan, indien daarvoor
   gewichtige redenen zijn, kennis nemen van inlichtingen of stukken die
   niet aan de wederpartij kenbaar worden. Indien de rechter zulke
   redenen aanwezig acht, kan hij met toestemming van die wederpartij
   mede op de grondslag van die inlichtingen of stukken uitspraak doen.
   
   In artikel III van dit wetsvoorstel wordt tevens de Beroepswet nieuw
   vastgesteld. Blijkens het daarbij voorgestelde artikel 17 zal bij een
   beroep krachtens de Wet op de telecommunicatievoorzieningen het
   genoemde artikel 8.1.5.9 van de Algemene wet bestuursrecht van
   toepassing zijn. Aannemende dat het wetsvoorstel 22 495 eerder in
   werking treedt dan het onderhavige, zal het administratieve
   procesrecht adequaat kunnen inspelen op mogelijke vraagstukken van
   openbaarheid van administratieve rechtspraak versus de noodzakelijke
   geheimhouding van bepaalde aspecten van cryptografie.
   
   Een vergelijkbare problematiek kan uiteraard spelen in de gevallen dat
   strafbare feiten zijn opgespoord met gebruikmaking van cryptografie
   die onder de reikwijdte van het wetsvoorstel valt. Artikel 288 van het
   Wetboek van Strafvordering laat toe dat de rechter belet dat vragen
   daaromtrent worden beantwoord. Mochten er tijdens de terechtzitting
   gegronde twijfels rijzen over de rechtmatigheid van het gebruik van de
   ingevolge dit wetsvoorstel vergaarde informatie, dan kan de rechter
   met gebruikmaking van artikel 316 van het Wetboek van Strafvordering
   een nader onderzoek laten doen door de rechtercommissaris. Dear op dit
   nadere onderzoek de regels van het gerechtelijk vooronderzoek van
   toepassing zijn, is het mogelijk dat vragen van de verdediging aan
   getuigen kunnen worden gesteld zonder dat de verdediging daarbij
   aanwezig is. De rapportage van de rechter-commissaris kan ter
   terechtzitting evenwel door de verdediging weer ter sprake worden
   gebracht. In de praktijk blijken rechters in allerlei gevallen waarin
   de wijze van vergaring van bewijs niet tot in alle details in de
   openbaarheid kan worden gebracht, wegen te hebben gevonden waarlangp,
   zonder afbreuk te doen aan de rechten van de verdediging, deze wijze
   toch in de gevallen waarin daarvoor een bijzondere aanleding bestaat,
   aan een nader te kunnen onderwerpen. Er ligt hier een zekere
   gelijkenis met bij voorbeeld het vraagstuk van de bedreigde getuige.
   
  7. HANDHAVING
  
   De handhaving van de voorgestelde regelgeving betreft een bijzonder
   punt van zorg. Juist de groep van personen tegen wie de regelgeving
   zich richt, zal geneigd zijn zich minder aan regelgeving te houden
   naarmate de daadwerkelijke handhaving het laat afweten. Er is daarom
   een aantal bepalingen opgenomen om een doeltreffende handhaving te
   verzekeren van met name de regels die betrekking hebben op de
   niet-vrijgestelde apparatour.
   
   In de eerste plaats is het aanbod van cryptografie, voor zover deze
   niet is toegelaten, gereguleerd. Dit betreft enerzijds het aanbod van
   cryptografie opgenomen in randapparatuur (dan wel anderszins
   neergelegd op enige gegevensdrager, bij voorbeeld vastgelegd in
   hardware), anderzijds cryptografie die in de vorm van een dienst over
   de teleconmunicatie-infrastructour aan het publiek kan worden
   aangeboden. Een dergelijk aanbod is in artikel 30b gebonden aan een
   verlof en kan worden gebonden aan de beschikbaarheid van informatie
   over de desbetreffende vorm van cryptografie ten behoeve van de
   overheid, daaronder begrepen het algoritme. Dit verlof is een species
   van het genus vergunning. Teneinde echter de verschillende vormen van
   vergunningen van elkaar te onderscheiden, wordt de voorgestelde
   terminologie gebruikt.
   
   Verder is bepaald dat regels kunnen worden gesteld aan de
   administratie van degenen die verlof hebben cryptografie aan te
   bieden. Dergelijke regels kunnen mede betrekking hebben op
   voorzieningen in de computerprogrammatuur van bij voorbeeld
   dienstenaanbieders die ertoe strekken dat geen cryptografie wordt
   aangeboden aan personen of instanties die daartoe niet gerechtigd
   zijn.
   
   Daar het in de regel zal gaan om een bedrijfsmatige uitoefening van
   een dergelijk aanbod, zal de neiging zich aan de voorwaarden van een
   vergunning te houden, groter zijn. Het gaat bij die
   bedrijfsuitoefening immers om een structurele zaak. De sanctie op
   niet-naleving van de regels kan de be	indiging van de
   bedrijfsuitoefening betreffen. De controle op de goede gang van zaken
   is beter mogelijk, dear men voor een doeltreffende bedrijfsuitoefening
   tot op zekere hoogte is aangewezen op openbaarheid. Het illegale
   gebruik van cryptografie zal dus vooral moeten worden tegengegaan door
   het aanbod ervan terug te dringen. Ook dienstenaanbieders, wanneer
   deze overeenkomstig de voornemens onder de werking van de Wet op de
   telecommunicatievoorzieningen zullen zijn gebracht, lopen het gevaar
   dat hun machtiging wordt ingetrokken bij aanbod van niet-toegestane
   cryptografie.
   
   Artikel 44 is aangepast in dier voege dat de toezichthoudende
   bevoegdheden tevens zich uitstrekken tot de cryptografie. De
   aanpassing van artikel 48 opent de mogelijkheid een
   telecommunicatie-inrichting waarbij -niet-toegestane cryptografie
   wordt gebruikt, 'in beslag te nemen, te verzegelen en de gebruiker een
   administratieve boete op te leggen.
   
   Ten slotte voorziet het artikel 64 in een mogelijkheid de
   concessionaris opdracht te geven tot staking van de verzorging van
   telecommunicatie over de teleconununicatie-infrastructuur gedurende
   een korte tijd, indien blijkt dat gebruik wordt gemaakt van
   niet-toegestane cryptografie.
   
   Gaat het gebruik van cryptografie via de ether, dan is er de
   mogelijkheid het feitelijk gebruik van niet-toegestane cryptografie te
   belemmeren door de desbetreffende frequentie te storen. De Minister
   van Verkeer en Waterstaat kan daartoe op grond van artikel 28 aan
   bepaalde overheidsorganen de bevoegdheid geven binnen zekere grenzen
   naar tijd en plaats enige of, in voorkomend geval, alle frequenties te
   gebruiken, teneinde aldus het gebruik van niet-toegestane cryptografie
   feitelijk te beletten door deze frequenties te storen. Blijkens de
   beschikking van 16 februari 1989 (Stcrt. 50) behoren de krijgsmacht,
   de politie en de BVD tot organen die voor een aanwijzing van
   frequenties in aanmerking komen. De voorschriften van de artikelen 4
   en 5 kunnen door de Minister van Verkeer en Waterstaat, krachtens
   artikel 28 van de wet, in bij zondere situaties buiten werking worden
   gesteld.
   
  8. INTERNATIONALE ASPECTEN
  
   Het wetsvoorstel bindt het gebruik en de terbeschikkingstelling van
   niet-toegelaten cryptografie aan een machtiging van de Minister. Het
   handelen zonder een dergelijke machtiging is blijkens de voorgestelde
   aanvulling van artikel 50, strafbear. Ingevolge artikel 91 van het
   Wetboek van Strafrecht is het algemeen deel van dat wetboek daarop van
   toepassing. In dat deel wordt bepaald dat de Nederlandse strafwet
   toepasselijk is op een ieder die zich in Nederland aan een strafbaar
   feit schuldig maakt. De beantwoording van de vraag of nu bij het
   gebruik of de terbeschikkingstelling van cryptografie afkomstig uit
   het buitenland, sprake is van het plegen van een feit in Nederland, is
   verschillend naar gelang het gaat om cryptografie die wordt aangeboden
   vastgelegd in een gegevensdrager, bij voorbeeld in randapparatuur, dan
   wel om cryptografie die wordt aangeboden via telecommunicatie,
   ongeacht of dit aanbod plaatsvindt via de
   telecommunicatie-infrastructuur, via eigen kabels of via de ether.
   
   Bij het aanbieden van cryptografie op een gegevensdrager, dus in de
   vorm van een voorwerp, is de situatie vergelijkbaar met die van enig
   ander delikt dat via gegevensdragers wordt gepleegd, of het nu gaat om
   belediging, opruiing, aanzetten tot hast tegen personen wegens hun ras
   of om een inbreuk op het auteursrecht. Deze delikten hebben met elkaar
   gemeen dat zij kunnen worden gepleegd,door de verstrekking van
   informatie en worden ook wel aangeduid als informatiedelikten. Naar
   deze delikten wordt impliciet verwezen in artikel 7 van de Grondwet in
   de terminologie "behoudens ieders verantwoordelijkheid voor de wet".
   Ook al worden de gegevensdragers met behulp waarvan deze delikten
   worden gepleegd, in het buitenland vervaardigd, heeft iemand deze
   voorwerpen in Nederland in handen, dan is hij strafbaar. De
   vervaardiging van de voorwerpen in het buitenland is echter niet een
   in Nederland gepleegd strafbaar feit.
   
   Anders is dit met de buitenlander die via telecommunicatie
   cryptografie aanbiedt, hetzij rechtstreeks zodat het in Nederland door
   remand kan worden vastgelegd, hetzij als onderdeel van een dienst die
   via telecommunicatie ad hoc wordt aangeboden. Blijkens staande
   jurisprudentie van de Hoge Read is het mogelijk dat men zich in het
   buitenland bevindend, hier te lande een misdrijf pleegt. Door
   tussenkomst van een instrument kan men immers handelen op een andere
   plaats dan waar men zich bevindt. Dit instrument is telecommunicatie
   met behulp waarvan in Nederland cryptografie ter beschikking wordt
   gesteld. Ook al ligt de oorsprong van de cryptografie in het
   buitenland, de gevolgen daarvan doen zich in Nederland gevoelen,
   weshalve ingevolge de hier beschreven, heersende leer omtrent de
   pleats van het delikt, sprake is van een in Nederland gepleegd
   strafbaar feit. Informatiedelikten via telecommunicatie vanuit het
   buitenland in Nederland gepleegd, zijn blijkens artikel 2 van het
   Wetboek van Strafrecht strafbaar volgens Nederlands recht. Het
   onderhavige wetsvoorstel doet een vergelijkbare situatie ontstaan voor
   het aanbod van cryptografie via telecommunicatie.
   
   De richtlijn van de Europese Read van 29 april 1991 inzake de
   onderlinge aanpassing van de wetgeving van de lidstaten betreffende de
   eindapparatuur voor telecommunicatie en de onderlinge erkenning van de
   conformiteit van apparatuur (91/263/EEG, PBEG L 129/91) verbiedt in
   beginsel aanvullende eisen aan randapparatuur ten opzichte van de
   eisen van de richtlijn.
   
   Duidelijk is dat zal moeten worden getracht technische normen die ter
   uitvoering van deze richtlijn aan randapparatuur zullen worden gesteld
   en die niet van zodanige aard zijn dat daarmee een doeltreffende
   criminaliteitsbestrijding of de staatsveiligheid in gevaar worden
   gebracht, zoveel mogelijk toe te laten op grond van de onderhavige
   regelgeving. Daartoe kan dienen dat in het proces van de ontwikkeling
   van standaarden steeds invloed wordt aangewend de standaarden zo te
   doen zijn dat deze ook vanuit het gezichtspunt van het onderhavige
   wetsvoorstel aanvaardbaar zijn. Op Europees niveau plegen de
   standaarden tot stand te worden gebracht in het in 1988 opgerichte
   European Telecommunications Standardization Institute (ETSI) . Dit
   instituut is een vereniging naar Frans privaatrecht, die tot doel
   heeft technische standaarden te ontwikkelen die nodig zijn om een
   grote eenvormige Europese telecommunicatiemarkt tot stand te brengen.
   Daarvan kunnen overheden, nationale normalisatie-instituten,
   netwerkbeheerders, fabrikanten en andere belanghebbenden, ook van
   landen die geen lid zijn van de EG, lid worden. Het kwam tot stand in
   antwoord op de ontwikkelingen op het gebied van de telecommunicatie in
   de EG.
   
   De in ETSI ontwikkelde standaarden worden veelal vervolgens via de
   procedure van de genoemde richtlijn publiekrechtelijk voorgeschreven.
   Slaagt de Nederlandse inbreng in ETSI erin aanvaardbare standaarden
   tot stand te brengen, dan is de hantering van het instrumentarium van
   het onderhavige wetsvoorstel op nationaal niveau niet nodig. De
   belangen die in het spel zijn, laten evenwel niet toe dat
   internationale standaarden die het aftappen geheel of nagenoeg
   onmogelijk maken, ongemoeid in Nederland worden toegelaten. Ook het
   EEGverdrag erkent dat dergelijke nationale belangen niet door de
   EG-regelgeving zonder meer opzij kunnen worden gezet. In die gevallen
   zal van de voorgestelde bevoegdheden gebruik moeten worden gemaakt.
   
   Een standpunt ingevolge hetwelk alle cryptografie die ergens binnen de
   gemeenschap hetzij als goed, hetzij als dienst rechtmatig op de markt
   zou zijn gebracht, in Nederland onbelenunerd zou moeten worden
   toegelaten, zou ook tot de onaanvaardbare consequentie leiden dat,
   welke gegevens ook op een randapparaat zouden zijn vastgelegd of welke
   gegevens ook via telecommunicatie in de vorm van dienstverlening
   worden aangeboden, daarmee in een ander EG-land geen strafbaar feit
   meer zou kunnen worden gepleegd. Hierbij is niet van belang of het
   gaat om gegevens die de betekenis hebben van computerprogrammatuur,
   bij voorbeeld ter vercijfering van bestanden, dan wel om gegevens die
   voor de mens direkt begrijpelijk zijn.
   
   In dit verband kan ook worden gewezen op artikel 223 van het
   EEG-verdrag dat elke lid-staat toestaat de maatregelen te nemen die
   hij noodzakelijk acht voor de bescherming van de wezenlijke belangen
   van zijn veiligheid, daarbij onder meer verwijzend naar
   oorlogsmateriaal. Op de in het tweede lid van deze bepaling bedoelde
   lijst komt cryptografie voor, voor zover het gaat om oorlogsmateriaal.
   Een vergelijkbare benadering ligt in de vermelding van het
   cryptografie in het Achtste wijzigingsbesluit Uitvoerbesluit
   strategische goederen 1963 (Stb. 1981, 351) onder punt 1527.
   
     (noot: In Stb. 1993, 531, van 14 oktober 1993 staat op blz. 74 Deel
     2 - "INFORMATIEBEVEILIGING" en op blz. 75 onderaan, onder 5. E.02.
     TECHNOLOGIE ook allerlei over cryptografie geregeld. )
     
   Dit besluit steunt op de In-en uitvoerwet. Bij de toepassing van deze
   wet kan in theorie eveneens met betrekking tot cryptografie op gronden
   van nationaal belang worden afgeweken van mogelijk op communautair
   niveau vastgestelde normen. Het onderhavige wetsvoorstel bestrijkt
   echter meer dan alleen die vormen van cryptografie die als
   oorlogsmateriaal moeten worden aangemerkt.
   
   De beperkingen die uit een oogpunt van criminaliteitsbestrijding of
   van staatsveiligheid worden gesteld aan het vrije verkeer van
   randapparatuur, moeten ingevolge de heersende jurisprudentie van het
   Europese Hof noodzakelijk zijn om deze doeleinden te bereiken en mogen
   niet verder reiken dan nodig is om deze doeleinden redelijkerwijs te
   bereiken. Dit is neergelegd in de aanvulling op artikel 29. Het
   criterium zal ook moeten worden gehanteerd indien op grond van
   nationale eisen het aanbod diensten die rechtmatig in een andere
   lidstaat van de EG zijn aangeboden, hier te lande wordt verboden. Voor
   de richtlijn van de Europese Read van 28 juni 1990 betreffende de
   totstandbrenging van de interne markt voor telecommunicatiediensten
   (90/387/EEG) geldt aldus mutatis mutandis hetzelfde.
   
   Uit het voorgaande vloeit de conclusie voort dat de onderhavige
   regeling de beperkingen die voortvloeien uit het EG-recht, in acht
   neemt. Ondanks het feit dat het bij maatregelen met het oog op
   criminaliteitsbestrijding of de staatsveiligheid gaat om een zaak van
   nationale competentie, vindt overigens reeds enige tijd overleg plaats
   tussen vertegenwoordigers van alle lid-staten van de EG, betrokken bij
   deze overheidstaken met de Europese Commissie over de mogelijke
   raakvlakken met EG-recht op het gebied van de telecommunicatie. Verder
   ligt samenwerking met andere lid-staten van de EG buiten het
   communautaire verband, alsmede met andere staten buiten de EG, voor de
   hand.
   
  9. FINANCI	LE EN PERSONELE KONSEKWENTIES
  
   De financi	le en personele konsekwenties van het wetsvoorstel kunnen
   beperkt blijven.
   
   Wat betreft de kosten voor de overheid kan het volgende worden
   opgemerkt. Er wordt voorzien in een systeem van het afgeven van
   machtigingen, verloven en toelatingen. Dear de meest gangbare, thans
   in gebruik zijnde vormen van cryptografie naar verwachting alle zullen
   worden toegelaten, zal, zeker in de aanvang, slechts in beperkte mate
   extra werklast zijn gemoeid met de beoordeling van verzoeken om een
   machtiging. Het bestaande ambtelijke apparaat van de het Ministerie
   van Verkeer en Waterstaat zal dit kunnen opvangen. De kosten verbonden
   aan het beoordelen en evalueren van de sterkte van cryptografie of de
   bepaling van conformiteit van nieuwe apparatuur aan een bestaande
   toelating, komen ingevolge het gewijzigde artikel 41 geheel of ten
   dele voor rerening van de aanvrager.
   
   De kosten verbonden aan de handhaving van de nieuwe regeling zullen
   toenemen. Het toezicht op de naleving van de regeling zal deel
   uitmaken van de reguliere controle op het ethergebruik of het gebruik
   van de telecommunicatie-infrastructuur. Uiteraard zal, wat het laatste
   betreft, slechts eventueel onrechtmatig gebruik van cryptografie
   kunnen worden geconstateerd in gevallen dat op grond van de wet
   rechtmatig de desbetreffende telecommunicatie wordt afgetapt. Enige
   uitbreiding van het bestaande opsporingsapparaat ressorterend onder de
   Minister van Verkeer en Waterstaat zal evenwel onvermijdelijk zijn.
   Geschat wordt dat daar-voor het eerste jaar (I miljoen, en daarna (I
   miljoen op jaarbasis benodigd zal zijn, mede omvattende bijna twintig
   extra bijzondere opsporingsambtenaren, aangewezen krachtens de Wet op
   de telecommunicatievoorzieningen, teneinde een redelijke handhaving
   van de regelgeving te waarborgen.
   
   De kosten van het beheersorgaan worden geschat op jaarlijks 3,3 ton,
   mede omvattende een bemanning van drie personen. Daarnaast zal het
   nodig zijn de verschillende vormen van cryptografie die onderworpen
   zijn aan de regelgeving, op sterkte te kunnen evalueren. Geschat wordt
   dat zulks jaarlijks 2 miljoen vergt, mede omvattende een bemanning van
   acht personen.
   
   Deze kosten komen ten laste van de rijksbegroting.
   
ARTIKELSGEWIJS

  ONDERDEEL I
  
  ONDERDEEL A
  
   Het begrip cryptografie komt als gevolg van het wetsvoorstel op
   meerdere plaatsen voor. Het is daarom wenselijk het reeds in de
   definitiebepaling op te nemen.
   
   Cryptografie wordt omschreven als een verzameling van opdrachten
   kennelijk bestered om langs geautomatiseerde weg gegevens te bewerken.
   Gedacht moet worden aan een serie bewerkingen die achtereenvolgens op
   aanvankelijk direkt begrijpelijke of direkt bruikbare gegevens moeten
   worden uitgevoerd, teneinde de begrijpelijkheid of bruikbaarheid voor
   degenen die niet bekend zijn met de serie opdrachten, zo niet
   onmogelijk te maken, dan toch in ieder geval te bemoeilijken. Het is
   niet noodzakelijk dat de serie opdrachten is vastgelegd in
   computerprogrammatuur. De bewerkingen kunnen bij voorbeeld ook
   mechanisch worden uitgevoerd. Handmatige vercijfering valt niet onder
   de definitie.
   
   De woorden "verzameling van opdrachten" maken duidelijk dat
   cryptografie niet een materieel voorwerp betreft dat op een bepaalde
   plaats, uniek aanwezig is, doch immateri	le gegevens die, soms op een
   gegevensdrager, bij voorbeeld een floppy, een schijf, een chip of
   papier, zijn vastgelegd, soms via telecommunicatie worden
   overgedragen.
   
   Wel is de vorm waarin de opdrachten zijn neergelegd van belang: de
   definitie omvat slechts opdrachten in objectcode (bruikbaar voor een
   computer of een ander geautomatiseerd werk) en geen opdrachten in
   broncode (tekst op papier), zodat bij voorbeeld niet een
   wetenschappelijke publicatie over dit onderwerp onder de definitie
   valt. Het moet gaan om een zodanige neerslag van de verzameling van
   opdrachten dat deze o=iddellijk kan worden gebruikt. Gaat het om
   mechanische apparatuur, dan moet het apparaat meteen dan wel na enkele
   eenvoudige handgrepen in werking kunnen worden gesteld. Gaat het om
   programmatuur dan betreft het slechts programmatuur in objectcode.
   
   Het gaat om vormen van cryptografie die kunnen worden gebruikt voor
   telecommunicatie. Niet van belang is of deze ook daadwerkelijk
   daarvoor worden gebruikt. Indien de desbetreffende vorm van
   cryptografie wordt gebruikt om bestanden, opgeslagen in alleenstaande
   computers te beveiligen, zijn zij, zolang zij geschikt zijn ook in
   geval van teleconununicatie de gegevens te beschermen, aan de
   onderhavige regelgeving onderworpen. Slechts vormen van cryptografie
   die daartoe niet geschikt zouden zijn, vallen buiten de werkingssfeer
   van het wetsvoorstel.
   
   Onder de definitie zijn daarom niet begrepen de vormen van
   cryptografie die vanouds worden gebruikt om schrift te vercijferen.
   Weliswaar kan schrift steeds vervolgens via telecommunicatie worden
   overgedragen, doch de definitie ziet slechts op die vormen van
   cryptografie die langs geautomatiseerde weg de gegevens bewerken.
   Cryptografie die tekst of andere gegevens langs niet-geautomatiseerde
   weg bewerkt, valt buiten het bereik van het wetsvoorstel. Het
   wetsvoorstel richt zich op de bedreigingen die voortvloeien uit nieuwe
   technieken. De vormen van cryptografie die vanouds hebben bestaan,
   blijven onverlet.
   
   De in het wetsvoorstel gebruikte definitie spreekt van een bewerking
   die de verzameling van opdrachten uitvoeren op gegevens zodanig dat
   deze niet meer direkt begrijpelijk of bruikbaar zijn. Begrijpelijk
   ziet op de mens, bruikbaar op apparatuur.
   
   De gegevens worden niet meer direkt begrijpelijk indien zij voor
   iemand behorend tot dezelfde taalgemeenschap als de oorspronkelijke
   gebruiker, geen informatie meer bevatten. Het gaat dan om natuurlijke
   talen. Wanneer met gebruikmaking van kunstmatige talen een groep van
   personen in het geheim een code heeft afgesproken met het oogmerk met
   elkaar te communiceren zonder dat zij door buitenstaanders kunnen
   worden begrepen, is er, indien met deze code gegevens langs
   geautomatiseerde weg worden bewerkt, wel weer sprake van cryptografie.
   
   
   De gegevens zijn bruikbaar voor apparatuur indien het gaat om
   elektronische protocollen die nodig zijn om apparatuur in werking te
   stellen of haar behoren te laten functioneren.
   
   De piepjes die pijnlijk een menselijk oor treffen indien hij per
   ongeluk een faxnummer draait, zijn gegevens die voor hem
   onbegrijpelijk zijn, doch bruikbaar voor het fax-apparaat. Hetzelfde
   geldt voor enig ander randapparaat dat is toegelaten krachtens artikel
   29 van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen. Dergelijke voor
   randapparatuur direkt bruikbare gegevens kunnen echter ook
   cryptografisch worden bewerkt. In dat geval is weer het wetsvoorstel
   van toepassing.
   
   De verzameling van opdrachten wordt gebruikt om aangeboden gegevens te
   bewerken. Deze betreffen hetzij zulke die nog niet zijn bewerkt, en
   worden dus door het programma vercijferd, hetzij zulke die reeds zijn
   bewerkt en dus door het programma worden ontcijferd. Overigens is ook
   denkbaar dat een reeds vercijferd bericht of computerprogramma,
   nogmaals, hetzij met dezelfde vorm van cryptografie, hetzij met een
   andere vorm, wordt vercijferd. Indien op enigerlei wijze met behulp
   van de bij het beheersorgaan beschikbare informatie kan worden
   nagegaan welke vormen van cryptografie zijn gebruikt, is het in
   beginsel mogelijk ook bij meervoudige vercijfering het
   oorspronkelijke, bruikbare signaal te voorschijn te halen. De
   verschillende technische problemen die zich daarbij uiteraard kunnen
   voordoen, zullen moeten worden opgelost door de voorschriften die aan
   de machtiging kunnen worden verbonden.
   
  ONDERDEEL B
  
   Artikel 29 heeft betrekking op randapparatuur. Blijkens artikel 1,
   onder k, van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen is dit
   apparatuur bestered om op de telecommunicatieinfrastructuur te worden
   aangesloten. Artikel 3 van het Besluit randapparatuur (Stb. 1988, 553)
   zal daartoe worden aangevuld in die zin dat de specificaties van
   conformiteit voor randapparatuur mede kunnen strekken tot handhaving
   van de regelgeving inzake cryptografie.
   
   De keuring van andere telecommunicatie-apparatuur, dus apparatuur met
   behulp waarvan langs radio-elektrische weg telecommunicatie
   plaatsvindt en waarin cryptografische voorzieningen zijn aangebracht,
   kan worden afgedwongen met behulp van het krachtens artikel 17, zesde
   lid, onder c, van de wet vastgestelde artikel C.2.1 en volgende van
   het Besluit radioelektrische inrichtingen inzake de vaststelling van
   technische eisen en de keuring van deze inrichtingen. De keuring kan
   mede omvatten de naleving van de regels die zijn gesteld krachtens
   artikel D.1.2, tweede lid, onder 1, of artikel G.1.2 van dit Besluit.
   Artikel C.1.1, tweede lid, van dit besluit zal daartoe worden
   aangepast.
   
  ONDERDEEL C
  
    Artikel 30a
    
   Dit artikel regelt het voorhanden hebben en het gebruik van
   cryptografie. Dit is onder omstandigheden voor overheid en private
   organen onontbeerlijk. Hebben zl]' een gerechtvaardigd belang, dan
   dienen zij daarvan gebruik te kunnen maken. Overheidsorganen kunnen
   worden vrijgesteld. Aansluiting is gezocht bij de regeling van artikel
   28 en artikel 17, tweede lid, onder b, van de Wet op de
   telecommunicatievoorzieningen. Particulieren kunnen in aanmerking
   komen voor een machtiging. Onder omstandigheden kan dit betekenen dat
   een onderzoek wordt gedaan naar de achtergronden van de aanvrager en
   dat diens justiti	le antecedenten worden nagetrokken.
   
   Een machtiging zal tevens worden verstrekt wanneer deze nodig is ten
   behoeve van de fabricage met het oog op export, voor zover deze is
   toegelaten onder de In- en uitvoerwet. Aan de machtiging zullen dan
   passende waarborgen moeten worden verbonden die ertoe strekken een
   binnenlandse bestemming tegen te gaan.
   
   Op de markt zijn allerlei vormen van cryptografie beschikbaar.
   Tekstverwerkingsprogrammals kennen tegenwoordig standaardfuncties voor
   het ontoegankelijk maken van bestanden. Daarnaast zijn moderne vormen
   van autotelefoon zoals GSM, wat betreft het traject dat via de ether
   gaat, met behulp van cryptografie beveiligd tegen het afluisteren door
   derden. Het is niet mogelijk deze alle van de werking van het
   wetsvoorstel uit te zonderen, dear dergelijke functies daadwerkelijk
   tot gevolg kunnen hebben dat zulke bestanden ontoegankelijk zijn voor
   de organen belast met de rechtshandhaving of met de staatsveiligheid.
   Programmatuur die nu reeds algemeen verkrijgbaar is, zal echter in
   beginsel vrij beschikbaar blijven. Het onderhavige artikel voorziet in
   de mogelijkheid dergelijke programmatuur toe te laten. Dit betekent
   dat deze vrij op de markt verkrijgbaar is voor een ieder. Aan de
   mogelijkheden tot ontplooiing van economische activiteit op het gebied
   van cryptografie moet niet meer afbreuk worden gedaan dan wordt
   gerechtvaardigd vanuit de belangen van de essenti	le overheidstaken
   die hier in het geding zijn.
   
    Artikel 30b
    
   Deze bepaling heeft betrekking op zowel het aanbieden als het ter
   beschikking stellen van cryptografie. Aanbod kan plaatsvinden zonder
   dat er sprake is van ter beschikking stellen. In publicaties, bij
   voorbeeld in de vorm van advertenties, kan cryptografie worden
   aangeboden. Dat valt onder het verbod van deze bepaling. Meestal zal
   van terbeschikkingstelling sprake zijn na een voorafgaand aanbod. Dit
   is evenwel niet noodzakelijkerwijs het geval, bij voorbeeld indien de
   terbeschikkingstelling plaatsvindt op verzoek zonder voorafgaand
   aanbod.
   
   Aanbieden en ter beschikking stellen kunnen op verschillende wijzen
   plaatsvinden. Dear cryptografie bestaat uit een serie opdrachten en
   daarmee veelal de vorm heeft van computerprogrammatuur, kan de
   overdracht bestaan uit het ter beschikking stellen van een
   gegevensdrager, dus door de overdracht van een voorwerp, doch ook door
   de overdracht via telecommunicatie van dergelijke gegevens. Het verbod
   van het onderhavige artikel omvat dus mede de situatie dat remand via
   telecommunicatie dergelijke voorzieningen aanbiedt.
   
   Het vierde lid opent de mogelijkheid regels te stellen over de
   personen die moeten worden geregistreerd omdat aan hen cryptograf ie
   is verstrekt. Aldus kan de kring van rechtmatige gebruikers van
   niet-vrijgestelde cryptografie onder controle worden gehouden.
   
    Artikel 30c
    
   Zowel voor machtigingen tot gebruik, een verlof in verband met handel,
   als voor de toelating van vormen van cryptografie, is nodig dat deze
   wordt toegespitst op 66n of meer vormen, deze onder beperkingen kunnen
   worden verleend en daaraan voorschriften kunnen worden verbonden. Het
   onderhavige artikel heeft dus zowel betrekking op de machtiging of een
   toelating, bedoeld in artikel 30a, als op het verlof bedoeld in
   artikel 30b.
   
   De uitoefening van de bevoegdheden krachtens de artikelen 30a en 30b
   zijn nader genormeerd in artikel 30c in die zin dat zij slechts mogen
   worden uitgeoefend in het belang van de criminaliteitsbestrijding of
   van de staatsveiligheid.
   
   In de regel zal de overheid ten minste als voorwaarde stellen voor een
   machtiging of voor een toelating, dat informatie over de
   desbetreffende vorm van cryptografie ter beschikking wordt gesteld aan
   het beheersorgaan als bedoeld in artikel 30c. Deze informatie kan
   zowel betrekking hebben op de regelmatig weerkerende bewerkingen die
   volgens een vast vooraf ingebouwde formule wordt uitgevoerd (het
   algoritme), als op de mogelijkheden die de gebruiker heeft om zelf de
   wi3ze waarop de cryptografische bewerkingen worden uitgevoerd te
   vari	ren (de mogelijkheden tot het instellen van een eigen sleutel).
   
   Om in aanmerking te komen voor een machtiging tot voorhanden en
   gebruik of voor een verlof tot het verhandelen of ter beschikking
   stellen, dient een gerechtvaardigd belang van de aanvrager daartoe te
   noodzaken. Daarmee is tot uitdrukking gebracht dat een restrictief
   beleid zal worden gevoerd in toekenning van de mogelijkheid
   niet-toegelaten cryptografie te gebruiken.
   
   In het vijfde lid zijn de gebruikelijke gronden voor de intrekking van
   beschikkingen zi]n opgenomen.
   
    Artikel 30d
    
   Het beheer van de informatie over cryptografie vergt een bijzonder
   orgaan. Het wetsvoorstel voorziet in de instelling van een apart
   beheersorgaan dat de verschillende overheidsdiensten informatie over
   cryptografie ter beschikking dient te stellen indien deze te maken
   hebben met deze cryptografie bij de uitvoering van hun taak. Daarbij
   kan worden gedacht aan rechters-commissarissen, het openbaar
   ministerie, de politic, de Binnenlandse Veiligheidsdienst, het
   toezichthoudende orgaan van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat
   en de Militaire Inlichtingendienst. De taken van de
   rechters-commissarissen en het openbaar ministerie zi3n omschreven in
   het Wetboek van Strafvordering, die van de de Binnenlandse
   Veiligheidsdienst en de Militaire Inlichtingendienst in de artikelen 8
   en 9 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
   
   Het beheersorgaan is passief in die zin dat het pas op verzoek van
   anderen in actie kan komen. Een eigen beleid kan het niet uitvoeren
   anders dan in de wij ze waarop gevolg wordt gegeven aan de
   verschillende tot hem komende verzoeken. Het heef t slechts een
   uitvoerende taak. In dat verband is evenwel denkbaar is dat onder
   omstandigheden het gebruik van deze informatie voorwerp is van
   uiteenlopende belangen. Niet alleen zijn er mogelijk uiteenlopende
   belangen van overheidsorganen in het geding, er moet meer in het
   algemeen een juist evenwicht worden gevonden tussen enerzijds het
   belang van de burger en privaatrechtelijke organisaties bij
   geheimhouding van hun gegevensuitwisseling via telecommunicatie en
   anderzijds het belang dat deze toegankelijk blijft voor die
   overheidsorganen die met het oog op de hun toebemeten taak onder
   zekere voorwaarden deze telecommunicatie moeten kunnen surveilleren.
   
   Het belong van de burger is neergelegd in artikel 13 van de Grondwet
   en artikel 8, eerste lid, van het EVRM, alsmede in artikel 22 van het
   Verdrag van de Internationale Telecommunicatie Unie. De
   overheidsbelangen komen aan de orde in het Wetboek van Strafrecht, het
   Wetboek van Strafvordering en in de Wet op de inlichtingen- en
   veiligheidsdiensten.
   
   Het is nodig de belangen te bundelen en waar nodig tegengestelde
   belangen tegen elkaar af te wegen. De beslissing na afweging van alle
   belangen is neergelegd bij de Minister van Verkeer en Waterstaat na de
   andere Ministers die het mede aangaat te hebben gehoord. Deze Minister
   kan ook waarborgen in het leven roepen bij de omgang met cryptografie.
   Indien op last van een rechter-commissaris de politie bij het aftappen
   van telecommunicatie gebruik maakt van informatie afkomstig van het in
   dit wetsvoorstel voorziene beheersorgaan, kan het nodig zijn dat
   bijzondere waarborgen in acht worden genomen, afhankelijk van de
   gevoeligheid van de desbetreffende informatie. Deze waarborgen zijn
   geen algemeen verbindende voorschriften in de zin van artikel 89 van
   de Grondwet, noch vormen zij een extra, niet reeds in deze wet
   voorziene inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. Het is daarom
   mogelijk, wanneer dit nodig is, af te zien van bekendmaking van deze
   regelingen.
   
    Artikel 30e
    
   Deze bepaling bevat de gebruikelijke geheimhoudingsbepaling. Deze zal
   vooral van toepassing zijn op degenen die, hoewel op hen de ambtelijke
   geheimhoudingsplicht niet van toepassing is, toch te maken zullen
   krijgen met vertrouwelijke informatie over cryptografie. Te denken
   valt aan de keuringsinstituten, aangewezen krachtens artikel 29 van de
   Wet op de telecommunicatievoorzieningen.
   
  ONDERDEEL D
  
   Het past in het systeem van de wet een vergoeding te heffen voor een
   machtiging of een toelating krachtens de thans vastgestelde
   bepalingen. Uit het vervolg van de bepaling waarin een wijziging wordt
   aangebracht, blijkt dat de vergoeding moet strekken tot dekking van de
   kosten die rechtstreeks zijn verbonden aan de uitvoering van de wet.
   
  ONDERDEEL E
  
   De bevoegdheden van de toezichthoudende ambtenaren ingevolge de Wet op
   de telecommunicatievoorzieningen dienen zich mede uit te strekken tot
   de bepalingen inzake de cryptografie. Met name de bevoegdheid om de
   boeken door te kijken van de houders van de machtiging cryptografie
   ter beschikking te stellen, is uit een oogpunt van handhaving van
   belang.
   
  ONDERDEEL F
  
   De bevoegdheid om zendinrichtingen die onrechtmatig cryptografie
   gebruiken te verzegelen, in bewaring te nemen, en aan de houders een
   zendverbod en een administratieve boete op te leggen, is uit een
   oogpunt van doeltreffende handhaving van de regelgeving gewenst.
   
  ONDERDEEL G
  
   Door de bestaande redactie van het zevende lid van artikel 50 brengt
   opneming van de strafbaarstelling van de overtredingen van het eerste
   lid van de artikelen 30b en 30c, in het eerste lid van artikel 50, met
   zich mee dat het hier misdrijven betreft.
   
   De niet-nakoming van de aan een machtiging of een toelating verbonden
   voorschriften vormt een overtreding in de zin van het Wetboek van
   Strafrecht.
   
  ONDERDEEL H
  
   Met het oog op een doeltreffende handhaving van de onderhavige
   regelgeving moet het mogelijk zijn dat gebruikmaking van
   niet-toegestane cryptografie orimogelijk wordt gemaakt door het staken
   van de telecommunicatie tussen bepaalde aansluitpunten. Deze
   bevoegdheid komt toe aan de Minister van Verkeer en Waterstaat. De
   Algemene wet bestuursrecht voorziet in de mogelijkheid in kort geding
   de opheffing van een dergelijk besluit te vragen.
   
   De plicht van de houder van de concessie uitvoering te geven aan een
   bevoegd gegeven last tot het aftappen of opnemen van telecommunicatie,
   brengt met zich mee dat de houder, voor zover dit binnen zijn
   mogelijkheden ligt, voor de desbetreffende autoriteiten begrijpelijke
   informatie ter beschikking dient te stellen. De Minister van Verkeer
   en Waterstaat kan hem daartoe aanwijzingen verstrekken.
   
   Wat betreft de verdeling van de kosten is eveneens aansluiting gezocht
   bij het bestaande artikel 60 dat betrekking heeft op de verzorging van
   telecommunicatie in buitengewone omstandigheden.
   
  ONDERDEEL V
  
   Er is voorzien in de mogelijkheid de verschillende artikelen op
   verschillende momenten in werking te laten treden. Dit is bij
   voorbeeld nodig om op het eerste moment van de inwerkingtreding
   bestaande vormen van cryptografie gedurende enige tijd op toelating te
   kunnen 'toetsen, zonder dat zij gedurende de tijd van toetsing zouden
   zijn verboden. Indien na aanmelding binnen een bepaalde tijd, alle
   vormen van cryptografie zijn toegelaten die daarvoor in aanmerking
   komen, kan vervolgens het regime met betrekking tot de niet-toegelaten
   cryptografie in werking treden.
   
   De Minister van Verkeer en Waterstaat,
   
   De Minister van Justitie,
   
   De Minister van Binnenlandse Zaken,
   
   De Minister van Defensie,
     _________________________________________________________________
   



Copyright 2001, 2002, 2003 Alex de Joode